Sterfte en levensverwachting

Tijdens de eerste vier maanden van de coronacrisis zijn er bijna 10.000 personen meer overleden dan in dezelfde periode in andere jaren (oversterfte). Voor ruim 6.000 sterfgevallen  is vastgesteld dat de formele doodsoorzaak COVID-19 is. De totale sterfte aan COVID-19 ligt echter hoger en neemt ook weer toe in de tweede golf. De ziekte COVID-19 zou dan in de top drie van belangrijkste doodsoorzaken in 2020 komen. De oversterfte door de eerste golf van 10.000 personen veroorzaakt een daling van de levensverwachting van een half jaar. Voor de toekomst zal het effect van COVID-19 in de periode 1 maart tot 1 juli 2020 op de levensverwachting nihil zijn. Alleen als er nieuwe golven van de pandemie optreden zullen er weer tijdelijke dalingen van de levensverwachting zijn. Voor de lange termijn verwachten we zonder COVID-19 dat de levensverwachting voor mannen en vrouwen samen zal stijgen van 81,8 jaar in 2018 naar 85,4 in 2040 (1). 

COVID-19 derde doodsoorzaak in 2020, dementie en longkanker de belangrijkste

Nieuwvormingen en hart- en vaatziekten veroorzaakten samen 55% van de sterfgevallen in 2018. Als we kijken naar specifieke ziekten dan waren in 2018 dementie, longkanker en hartfalen de belangrijke doodsoorzaken in Nederland. Deze drie aandoeningen zullen in 2020 ook belangrijke doodsoorzaken zijn, maar COVID-19 zal mogelijk in de top drie terecht komen. Het aantal mensen dat in 2020 tot 1 juli stierf met een laboratorium-bevestigde COVID-19 bedroeg volgens het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu 6.142 ( zie ook: thema COVID-19/Ziekte) De totale sterfte aan COVID-19 is hoger. Ook mensen die niet getest zijn maar waar toch het vermoeden is dat ze aan COVID-19 overleden zijn, zullen door het CBSCentraal Bureau voor de Statistiek als onderliggende doodsoorzaak COVID-19 krijgen toegewezen. Verder zullen er in de tweede helft van 2020 nog meer mensen aan COVID-19 overlijden. Hoe hoog de sterfte over heel 2020 aan COVID-19 zal worden is nu nog niet bekend maar dat zou op ongeveer 10.000 personen uit kunnen komen. Met een sterfte van 10.000 zou COVID-19 in de ranglijst over 2018 op plaats drie komen te staan. Net onder longkanker maar boven beroerte en coronaire hartzieken.  

Oversterfte in Nederland is hoog, maar minder groot dan in Spanje en Verenigd Koninkrijk

De oversterfte door COVID-19 definiëren we als het aantal mensen dat meer is overleden in de periode 1 maart tot 1 juli 2020 dan op basis van de sterfteaantallen in voorgaande jaren werd verwacht (2). De totale oversterfte over de periode 1 maart tot 1 juli 2020 wordt geschat op 9.900 in Nederland. Nederland had hiermee een relatief hogere oversterfte dan bijvoorbeeld Zweden en Denemarken. In het Verenigd Koninkrijk en Spanje  was de oversterfte in relatie tot de verwachte sterfte voor 2020 echter drie keer zo hoog als in Nederland (3).

Verlies aan levensverwachting door COVID-19 is een half jaar

Voor de coronapandemie uitbrak, verwachtte het CBS dat de levensverwachting in 2020 voor mannen 80,7 en voor vrouwen 83,8 jaar zou zijn (1). Door de oversterfte aan COVID-19 zal de levensverwachting in 2020 lager zijn dan deze bevolkingsprognose. Als we de levensverwachting voor 2020 opnieuw berekenen, rekening houdend met de oversterfte in het tweede kwartaal van 2020 door COVID-19, krijgen we een levensverwachting van 80,1 jaar voor mannen en 83,4 jaar voor vrouwen. Het effect van de oversterfte van bijna 10.000 personen in de periode maart tot juli 2020 op de levensverwachting is daarmee gemiddeld 0,5 jaar. Voor mannen is het verschil met 0,6 jaar iets groter dan voor vrouwen (0,4 jaar). Dit verschil komt doordat de oversterfte voor mannen iets hoger was dan voor vrouwen. Het verschil van een half jaar is een schatting, omdat op dit moment nog niet de sterfte voor heel 2020 bekend is. Hierbij spelen twee zaken een rol. Ten eerste sterven nog steeds mensen door COVID-19 dus het effect op de levensverwachting kan groter dan een half jaar worden. Ten tweede zien we na een periode van oversterfte juist een lagere sterfte doordat de mensen die tijdens de periode van oversterfte extra zijn overleden, niet in de maanden daarna overlijden. Hierdoor wordt het verschil juist weer kleiner.

Effect op levensverwachting vooral op hogere leeftijd

Het verschil van een half jaar zie je ook terug bij de levensverwachting op 65 jaar. Dat is goed verklaarbaar, omdat de oversterfte voor ruim 95% plaatsvindt bij mensen van 65 jaar en ouder. De oversterfte in de periode maart tot juli 2020 was bijna 10.000. Een vergelijking met Spanje en het Verenigd Koninkrijk laat zien dat in die landen de oversterfte in relatie tot de verwachte sterfte drie keer zo hoog was als in Nederland (3). Als de oversterfte in Nederland drie keer zo groot was geweest (bijna 30.000), was de levensverwachting voor mannen en vrouwen samen 1,4 jaar lager geweest.

Tabel 1: Verwachte levensverwachting in jaren in 2020 (CBS-Bevolkingsprognose) en levensverwachting op basis van verwachte sterfte in 2020 en oversterfte door COVID-19 en driemaal de oversterfte door COVID-19 (1).

 Levensverwachting

 

2020 en bijna 10.000 oversterfte

2020 en bijna 30.000 oversterfte

 

2020

 2020

Verschil

 2020

Verschil

Mannen

80,7

80,1

0,6

79,1

1,5

Vrouwen

83,8

83,4

0,4

82,6

1,2

Totaal

82,3

81,8

0,5

80,9

1,4

 

Sterfte aan COVID-19  groter bij mensen met een migratieachtergrond

Tijdens de eerste 6 weken van de corona-epidemie was de oversterfte 40% hoger dan verwacht (7.260 overledenen meer dan verwacht) (4). Voor migranten met een niet-westerse achtergrond was de oversterfte 47% hoger. Voor migranten met een westerse achtergrond was dat 49%. Dat is hoger dan de oversterfte onder inwoners met een Nederlandse achtergrond (38%). Van de totale oversterfte van 7.260 betrof het in 4,3% van de gevallen iemand met een niet-westerse achtergrond. De relatieve oversterfte voor sociaaleconomische indicatoren als inkomen en welvaart kende geen duidelijke verschillen. In de weken 11 en 12 was de oversterfte weliswaar veel hoger onder het hoogste welvaartskwintiel (25%) dan in de overige groepen (circa 10% of minder) maar in de weken 13-16 was er geen duidelijk verschil tussen de welvaartsgroepen en de relatieve oversterfte.

Verschillen in (gezonde) levensverwachting zijn groot

Er zijn dus geen duidelijke verschillen in de sterfte aan COVID-19 naar welvaartsniveau. Het verschil in levensverwachting over de periode 2015-2018 tussen lager- en een hogeropgeleiden is echter nog steeds ruim 6 jaar voor mannen (76,6 versus 82,9 jaar) en bijna 4 jaar voor vrouwen (81,4 versus 85,3 jaar). Het verschil in gezonde levensverwachting (levensverwachting in goede ervaren gezondheid) is zelfs 14 jaar (14,0 jaar voor mannen en 14,1 jaar voor vrouwen). Voor de levensverwachting zonder beperkingen (verschil 12,0 voor mannen en 12,7 voor vrouwen) en voor de levensverwachting in goede geestelijke gezondheid (verschil 9,9 en 7,0) zien we ook grote verschillen tussen hoger- en lageropgeleiden, maar wel kleiner dan bij de levensverwachting in goede ervaren gezondheid (5). Deze verschillen worden voor een deel veroorzaakt door verschillen in ervaren gezondheid en leefstijl tussen hoger- en lageropgeleiden.

Toekomstige sterfte aan COVID-19 onzeker 

De toekomstprojecties voor doodsoorzaken zijn gemaakt op basis van de sterfte tot en met 2018. Hierin speelt COVID-19 dus nog geen rol. De toekomstige sterfte door COVID-19 hangt uiteraard af van hoe de aanwezigheid van het virus zich ontwikkelt en hoe dodelijk dit zal zijn. De onzekerheid over dit laatste is dusdanig groot, dat de coronascenario’s geen projecties van sterfte door COVID-19 geven. Daarbij speelt ook een rol dat een deel van de mensen die in 2020 aan COVID-19 zijn overleden, anders gedurende het jaar aan andere ernstige aandoeningen overleden zouden zijn. Het CBS rapporteerde  over maart en april een lagere sterfte aan kanker en hart- en vaatziekten dan te verwachten was op basis van de sterfte in 2018 en 2019 (6). Dit kan voor bijvoorbeeld longkanker en hartfalen een lager sterfteaantal opleveren in 2020, en ook in de toekomst als er regelmatig nieuwe uitbraken van COVID-19 optreden. Afhankelijk van het optreden van nieuwe golven van het SARS-CoV-2 virus, zal COVID-19 de ranglijst van doodsoorzaken in de toekomst kunnen veranderen. Sowieso zal COVID-19 een plek krijgen in de ranglijst bij nieuwe uitbraken van COVID-19, maar bepaalde kankers en hart- en vaatziekten kunnen lager terecht komen in de ranglijst. 

Tabel 2: Top tien van aandoeningen met de hoogste waargenomen sterfte in 2018 en de geprojecteerde sterfte in 2040 (CBS-Doodsoorzakenstatistiek, gegevens bewerkt door RIVM).

Sterfte

2018

2040

Dementie

16.800

42.300

Longkanker

10.400

12.000

Beroerte

9.200

4.900

Coronaire hartziekten

8.400

3.000

Hartfalen

7.500

11.100

COPD

6.900

6.300

Ongevallen privé, sport, arbeid

5.200

9.800

Dikke darmkanker

5.000

6.100

Infecties van de onderste luchtwegen

3.900

3.800

Borstkanker

3.100

2.070

Langetermijneffect eerste golf COVID-19 op levensverwachting nihil 

Doordat COVID-19 vooral mensen met een zwakkere gezondheid treft, zal de sterfte in 2021 waarschijnlijk iets lager zal zijn dan verwacht. Dit komt doordat veel mensen die normaliter in 2021 zouden overlijden al in 2020 aan COVID-19 zijn overleden. Hierdoor kan de levensverwachting in 2021 een paar maanden hoger zijn dan verwacht in de bevolkingsprognose. Dit zal natuurlijk ook afhangen van eventuele nieuwe golven van de pandemie in 2021. Het langetermijneffect van de eerste golf van COVID-19 op de levensverwachting is nihil. Zeker als de grote impact van de coronapandemie op langere termijn minder wordt, en er geen grote veranderingen in leefstijl en zorg optreden. Wel zullen nieuwe golven van de pandemie met extra sterfte weer leiden tot tijdelijke dalingen van de levensverwachting. Naar verwachting stijgt de levensverwachting bij geboorte tussen 2018 en 2040 van 81,8 naar 85,4 jaar (1).